Zen of de kunst van het Roveronderhoud.


Sinds enige tijd was hij weer meer lawaai gaan maken, mijn Rover 2200 TC uit 1975. Waarschijnlijk zat er ergens een lek in het uitlaatspruitstuk, waar een jaar geleden nog aan gelast was.
Aangezien mij meer tijd dan geld ter beschikking stond besloot ik zelf het uitlaatspruitstuk te vervangen door een nieuw, waar ik tamelijk voordelig aan had weten te komen. Bovendien zou het mij erg veel voldoening geven nu eindelijk zelf eens een grote reparatie aan mijn auto uit te voeren.

Het was maar goed dat het financieel echt onverantwoord was het door een garage te laten doen, anders had ik mij wellicht nog laten weerhouden door nachtmerrie-scenario’s van afbrekende bouten of tapeinden, waarvan niet geheel duidelijk was hoe deze daarna nog eruit te krijgen. Ik probeerde deze gedachten zoveel mogelijk uit te bannen, maar dat wilde niet helemaal lukken.

Ik begaf mij met luid knetterende uitlaat zuidwaarts over de A2 naar Beek, waar mijn moeder woont in een huis mét garage. Dit laatste ontbeert mijn eigen woning, een studio in Eindhoven.
In het engels heeft men een aanzienlijk minder yupperige, maar correctere en tamelijk droevige term voor dit soort woningen: een bedsit. Je ziet als het ware de ongelukkige bewoner al zitten simmen op de rand van zijn bed. Het is een soort woning waarbij één ruimte bijna alle vitale functies van een woning vertegenwoordigt, behalve dan gelukkig de sanitaire. Het voordeel is wel weer dat de maandlasten vergelijkbaar zijn met die van de Rover. Wat veel voor een tweedehands auto van achtentwintig jaar oud maar weinig voor een woning.

Na in Beek te zijn aangekomen en de motor geruime tijd afgekoeld te laten hebben, begaf ik mij met de Haynes werkplaatshandleiding naar de garage.
Haynes was een man die in 1956 eigenhandig een Austin Seven geheel uit elkaar heeft gehaald, deze weer in elkaar gezet heeft en onderwijl alle details uittekende en met de hand noteerde. Er bleek veel behoefte te bestaan aan een dergelijke beschrijving van de toen populaire Austin Seven, de bedsit onder de auto’s zal ik maar zeggen, en al gauw volgden er handleidingen voor andere merken en types. Tot mijn verbazing bleek ik vijf jaar geleden, na enige e-mail uitwisselingen met de firma Haynes, nog aan een gloednieuwe werkplaatshandleiding van de Rover 2200 TC, modellen van 1963 tot 1977 te kunnen komen.

Ter voorbereiding begon ik de van toepassing zijnde paragrafen in de handleiding op te zoeken voor demontage van het inlaat- en uitlaatspruitstuk. Ik probeerde er op die manier ten eerste achter te komen wat ik allemaal los zou moeten maken en tevens de kans te verkleinen dat ik dingen uit elkaar zou halen die naderhand niet meer in elkaar te zetten zouden zijn, of die een zeer nauwkeurige afstelling behoeven die ik niet meer zou kunnen reproduceren.

De Haynes handleiding is echter allesbehalve waterdicht, wat dat betreft. Vaak treft men eenvoudige formuleringen aan als “remove securing nut” (verwijder borgmoer), vergezeld van een tekening waarop de te verwijderen moer duidelijk staat afgebeeld. Wat er echter niet bijstaat is dat deze moer zich ten eerste schuin achter een of andere, niet afgebeelde, bevestigingsbeugel bevindt, wat een spoedcursus hersenchirurgie ter verwerving van de benodigde motoriek om alleen al een sleutel op de betreffende moer geplaatst te krijgen tot nauwelijks overbodige luxe maakt, en dat men zich ten tweede enkele weken in een krachthonk had moeten voorbereiden om ook maar enige beweging in deze moer te kunnen krijgen.

Bij deze Rover bevond het uitlaatspruitstuk zich onder het inlaatspruitstuk, en helaas niet eenvoudigweg aan de tegenovergestelde kant van het motorblok, zodat demontage van het uitlaatspruitstuk demontage van het inlaatspruitstuk noodzakelijk maakte. Bij eerdere verkennende blikken onder de motorkap had ik al gezien dat de moeren waarmee het inlaatspruitstuk bevestigd was in tamelijk rare posities geplaatst waren, maar hoopte hier nog bij te kunnen met behulp van diverse verleng- en kniestukken die op mijn dopsleutel te plaatsen waren.

Alvorens echter het gehele inlaatspruitstuk los te kunnen maken, moesten diverse slangetjes en kabels van de op het spruitstuk bevestigde carburateurs losgemaakt worden. Eén hiervan, de kabel van de handmatig bediende choke zat door middel van een klemboutje aan het bedieningsmechanisme bevestigd. Dit was een miezerig boutje dat helemaal onder diverse stangen en beugels van het bedieningsmechanisme te vinden was.

Twintig jaar geleden volgde ik een practicum Ontwerpen aan de faculteit Werktuigbouwkunde van de Technische Hogeschool Eindhoven, tegenwoordig Technische Universiteit geheten.
Op een middag moest ik mijn voor een opdracht ingeleverde ontwerp gaan verdedigen ter beoordeling. Terwijl ik op de gang wachtte hoorde ik in de kamer waar ik moest zijn iemand geweldig tekeer gaan. “Belachelijk!! Wie verzint zoiets? Dat kan toch helemaal niet?!” Er volgde nog een half college op zeer hoge toon, die in bepaalde politieke kringen ten oosten van ons land zo’n zestig jaar geleden niet misstaan zou hebben, waardoor ik pas drie kwartier na de afgesproken tijd aan de beurt kwam.

“En wat hebben we hier??”, hoorde ik hem loeien voordat ik naar binnen liep, “Dit slaat werkelijk helemáál nergens op!” brulde hij, “Hoe is het mogelijk dat iemand zoiets ontwerpt??” De student die net nogal bedrukt naar buiten kwam zei tegen me dat de man binnen nu naar mijn tekening aan het kijken was. Bij het binnentreden in de kamer zag ik een kort, dik mannetje met een bril staan, en twee student-assistenten achter een tafel. Gelukkig bleek het mannetje, degene die verantwoordelijk was voor alle opwinding, niets te maken te hebben met de beoordeling van de ontwerpen maar slechts een bemoeizuchtige, psychopatische brulkikker die drie kwartier van mijn tijd verknoeid had. Ik kreeg een voldoende van de twee student-assistenten.

“Wat hebben we hier? Dit slaat werkelijk helemaal nergens op! Hoe is het mogelijk dat iemand zoiets ontwerpt??” mopperde ik, terwijl ik tevergeefs probeerde het borgmoertje vast te houden met een daarvoor ongeschikt tangetje, dat echter het enige was dat klein genoeg was om erbij te komen, en tegelijkertijd met een steeksleuteltje het boutje probeerde te verdraaien aan het wiebelende uiteinde van de chokekabel.

Ik kwam overeind, de pijn in mijn rug en ergernis, over een even onmogelijk ontwerp als waar ik zelf twintig jaar geleden over op mijn falie kreeg, verbijtend. Dit was niet eerlijk, enerzijds te hebben moeten zwoegen om een goed ontwerp te maken, en nu wéér te moeten zwoegen omdat een ander geen goed ontwerp heeft gemaakt.

Het beloofde niet veel goeds, als een boutje van deze onbenullige afmetingen al zoveel problemen opleverde maar ik boog mij er toch weer over omdat ik geen keus had. “Geef nu eens niet zo snel op”, zei ik tegen mezelf. Die opleiding aan de Technische Hogeschool had ik weliswaar nooit afgemaakt, maar het losmaken van dit boutje moest toch binnen mijn bereik liggen. Dus ik bleef maar prutsen totdat er uiteindelijk beweging in het boutje kwam, en de kabel losgehaald kon worden.

Nu moesten de diverse, in vrij lastige hoeken geplaatste, bouten van het inlaatspruitstuk losgedraaid worden. Dat viel toch nog mee, waarschijnlijk omdat ze een jaar eerder ook al eens losgemaakt waren. Eén van de bouten was echter geplaatst op een manier die de brulkikker van lang geleden welhaast tot ontploffing zou hebben gebracht, zou hij een dergelijke constructie in het ontwerp van een student hebben aangetroffen. Deze bout bevond zich ín een soort behuizing die bevestigd was aan het uitlaatspruitstuk, waaraan een slang bevestigd zat ter verwarming van de door de motor aangezogen lucht. Ik kon er nog nét bij met het allerlangste verlengstuk in combinatie met het kniestukje van de doppenset, maar het scheelde niet veel. Ik maakte me nu al zorgen over hoe ik die bout er ooit weer in zou krijgen.

De bouten van het uitlaatspruitstuk gingen daarna makkelijk los en ik hoefde alleen nog maar de drie bouten waarmee het stuk aan de uitlaat bevestigd zat, onder de auto, los te maken.
Ik had het kunnen weten.
Drie bouten waarvan de moeren behoorlijk vastgeroest bleken. Ten eerste kon ik er nauwelijks bij, en ten tweede bleek de bout mee te draaien als ik aan de moer draaide. Dus ik moest met één hand een steeksleutel op de moer zien te plaatsen en vast te houden, terwijl ik met de andere hand aan de dopsleutel draaide, dit alles met volledig gestrekte armen, half klem liggend tussen voorwiel en spatbord. Het was hopeloos, het duurde alleen al tien minuten voordat ik zowel de dop- als steeksleutel goed op de moer en bout had zitten. Als ik dan aan de dopsleutel draaide viel de steeksleutel uit mijn handen.

Wat had het voor zin dit nog verder te proberen? Het zou nooit lukken.
Ik moest ineens aan mijn reeds lang overleden vader denken, die vijftien jaar geleden ooit triomfantelijk met een bout van een afgebroken dynamosteun uit mijn (en voorheen zijn) Ford Taunus de keuken binnen kwam lopen, waar ik een half uur vruchteloos aan had zitten wrikken. Mijn vader was zeer vasthoudend in het doorzetten van schijnbaar (en soms ook echt) hopeloze aangelegenheden, een eigenschap waar ik hem om benijdde.

Het was onder andere de doorslaggevende factor die tot zijn huwelijk met mijn moeder leidde en zodoende vormde die eigenschap eigenlijk het fundament van mijn bestaan. Ik realiseerde me dat hoe zinloos verdere pogingen ook mochten lijken het in elk geval nog minder zin had het niet verder te proberen. De motor lag half uit elkaar en ik had toch niks anders te doen.

Na nog eens tien minuten pijnlijk gewrik schoot ineens de moer los. Een groot gevoel van opluchting maakte zich van me meester. De andere twee moesten ook nog los, wat lukte, zij het met evenveel inspanning als die eerste.

Inwendig juichend liep ik het huis binnen, en vertelde mijn moeder dat ik het zaakje los had. “Gelukkig”, verzuchtte mijn moeder, want ze had zich al zenuwachtig zitten maken. Nu maakt mijn moeder zich wel vaker zenuwachtig, dus dat is op zichzelf weer niet iets om zenuwachtig van te worden.
“Zou je nu niet liever een normale auto kopen?” had ze mij al vaak gevraagd bij eerdere defecten die optraden. Het is een vraag die me vaker gesteld is en het antwoord was en is nog steeds “Nee”. Het probleem van normale auto’s is namelijk dat ze zo normaal zijn.

Nu hoefde ik alleen nog maar het nieuwe uitlaatspruitstuk erop te zetten en alles weer vast te schroeven, dat kon nooit meer tijd kosten dan het loshalen van het hele spul. Welgemoed liep ik weer naar de garage om het gloednieuwe stuk in de achtentwintig jaar oude auto te gaan zetten. Ik positioneerde de vier uiteinden van het zogenaamde spaghetti-spruitstuk voor de vier uitlaatgaten van het motorblok en probeerde het stuk op zijn plaats te drukken. Dat ging moeilijker dan ik dacht.

Bovendien moest ik er rekening mee houden dat het andere uiteinde, onderaan, aansloot op de uitlaat. Het zware stuk bleef tegenstribbelen. Of het zat aan de bovenkant scheef, of het zat onderaan niet goed. Hoe kon dit nu? Het was exact zo’n zelfde stuk als het oude, het moest toch passen? Op een zeker moment leek ik het er tamelijk recht voor te hebben, en besloot ik te proberen de bouten erin te draaien en het stuk op die manier in het blok te krijgen. De laatste bout ging nogal moeilijk erin en bleek toen verlopen te zijn. Ik probeerde een andere bout, maar nadat ik deze er weer uithaalde was ook hier een beschadigde schroefdraad te zien. Ik bleek de zaak geforceerd te hebben.

De schrik sloeg me om het hart. Wat als de schroefdraad in de gaten ook verlopen bleek te zijn? Waarom was ik ook zo eigenwijs geweest dit zelf te proberen, men had me toch gezegd dat het wel eens tegen kon vallen? En hoe kwam ik aan nieuwe bouten? Dit was een Engelse auto met Engelse maten. Ik vergeleek de bout met enkele Engelse steeksleutels die ik had en het bleek er een met de onwaarschijnlijke maat van vijf-zestiende inch te zijn.

Het was zondag. Het is altijd zondag als ik aan het sleutelen ben, want op zaterdag moet ik eerst nog naar mijn ouderlijk huis rijden en meestal nog wat boodschappen halen met de auto. Dus ik kon onmogelijk nog dit weekend aan een nieuwe bout komen. Enigszins verrast stelde ik vast dat in plaats van mij gefrustreerd te voelen ik vrij makkelijk berustte in dit feit en een tamelijk ontspannen zondagmiddag voor mij zag liggen waarin niets meer hoefde.

Een week later treinde ik welgemoed weer naar mijn ouderlijk huis in het bezit van enkele nieuwe bouten van vijf-zestiende inch, die toch nog vrij makkelijk te krijgen waren geweest bij een speciaalzaak.
In een serene, bijna boeddhistische gemoedstoestand, waarbij de weg ernaar toe belangrijker was geworden dan het doel, betrad ik de garage. Misschien was dat wel het geheim van mijn vader geweest. Misschien had hij, alhoewel uit Nederlandse ouders voortgekomen, een vleugje oosterse levenswijsheid meegekregen uit zijn geboorteland Nederlands-Indië dat hem in staat stelde onvermoeibaar nieuwe manieren te verzinnen om zijn doel te bereiken.

Opnieuw, na ook nog een bevestigingsbeugel van de uitlaat losgemaakt te hebben, probeerde ik het uitlaatspruitstuk recht op het blok te plaatsen. Nog steeds lukte dit niet helemaal maar nu probeerde ik uitsluitend met de hand de bouten in de gaten te draaien, net zolang totdat ze pakten zonder te forceren. Dit lukte. Ook de onmogelijk geplaatste bouten in de eerder genoemde behuizing kreeg ik erin gedraaid, zij het dat dit veel geduld vereiste.
Het uitlaatspruitstuk was geplaatst, nu kon het inlaatspruitstuk teruggezet worden. Ook dit onderdeel stribbelde tegen maar ik liet mij nu niet meer ontmoedigen. Rustig bleef ik trekken en duwen totdat het op zijn plaats schoof. Ook het priegelige borgmoertje van de chokekabel haalde mij niet meer uit mijn evenwicht, ook al kostte het mij zeker vijftien minuten voordat ik dat weer vastgemaakt had. Zelfs voor de bij de demontage afgescheurde waterslang die op het inlaatspruitstuk bevestigd moest worden had ik een tijdelijke oplossing gevonden met behulp van een ander stuk slang dat ik eroverheen had geschoven.

Voortaan zou alles anders zijn. Ik zou alles wat ik wilde in het leven op deze manier aanpakken. Blijven proberen totdat het lukte, mij intussen nergens over opwindend maar rustig doorgaan. Het ging om het doorgaan. Altijd maar doorgaan.
Om half vijf zat alles weer op zijn plaats. Perfect. Ik hoefde alleen nog maar te testen of alles gasdicht was en dan kon ik gezellig met mijn moeder voor de televisie gaan borrelen.
Ik opende de garagepoort, nam plaats achter het stuur en draaide de contactsleutel om.

Klik. Klik?

Ik draaide de sleutel terug en trachtte nogmaals de motor te starten. Wederom: klik.
Hoezo klik? Waarom niet de vertrouwde ronk waarmee de grote viercylinder doorgaans tot leven komt? Kortom: Wat, in vredesnaam, dan nu weer?

Ik kreeg een bijzonder onboeddhistische driftaanval, kwam achter het stuur vandaan en rukte de motorkap open. Die boeddhisten hadden makkelijk praten, die hadden niet eens auto’s en zaten daar maar wat met kale koppen en gele gewaden in een klooster op een berg te murmelen. En ze hadden in elk geval nooit zo’n mooie Rover bij elkaar gemurmeld, in tegenstelling tot de ooit hardwerkende, onverzettelijke, fish-and-chips-etende, fags-rokende en pints-drinkende britse vaklui.

Er moest ergens een electrisch contact verbroken zijn waardoor de startmotor niet meer werkte. Ik kreeg een angstvisioen van door mij met het spruitstuk losgerukte bedrading op een nu onbereikbare plek, waardoor het nodig zou zijn alles weer te demonteren om dit te herstellen. Ik schoof op mijn rug onder de auto, en godzijdank, ik ontdekte een los stekkertje. Dat moest het zijn! Maar waar moest het aan vast zitten? Aan de dynamo? Ik kon geen aansluitpunt ontdekken. Ik leende even een make-up spiegeltje van mijn moeder om ook de bovenkant van de dynamo te kunnen bekijken en zag toen dat het stekkertje inderdaad aan die kant bevestigd kon worden. Het make-up spiegeltje zat nu wel onder de olievlekken.

Het stekkertje weer bevestigd hebbende kroop ik opgelucht onder de auto vandaan en nam plaats achter het stuur. Weer draaide ik de contactsleutel om. Klik.

Nee hè, niet weer. Een akelig gevoel trok door mijn maag, er was nog steeds iets niet goed. Wat kon dit zijn? Ik had nergens aan gezeten dat ook maar in de verste verte iets met de electrische installatie te maken had. Als ik echt de hele zaak weer moest demonteren werd de-weg-er-naartoe wel erg lang, die boeddhisten konden me wat.

Ik kon echt niet meer bedenken wat er mis moest zijn, stapte uit de auto, sloot verslagen de garage af en liep het huis in. Hoe zou mijn vader hiermee omgegaan zijn? Ik wist het niet. In elk geval had ik wel van mijn moeder geleerd, die mijn wat zwaarmoedige aard kent, dat ik beter niet ’s-avonds over problemen na kon denken aangezien ze uit eigen ervaring wist dat alles er dan alleen maar zwarter uit zou gaan zien. Morgen was er een nieuwe dag en dan zouden we wel verder zien.
Dus ik schonk een kloek glas wijn in en zonk weg in vergetelheid zoals alleen alcohol die bieden kan. Al gauw waren de beelden van loshangende stekkertjes en onbereikbare startmotoren verdwenen.

De volgende dag moest ik ’s-middags weer op kantoor zijn, dus ik kon eigenlijk niet veel doen. Toch wierp ik ’s-ochtends nog een korte blik onder de motorkap, in die dwaze hoop dat je een heel duidelijk loszittend draadje ontdekt.
Dat draadje was er.
Voor het eerst in mijn leven was er Het Duidelijk Loszittend Draadje. Het zat rechts op het spatbord. Een grijs draadje dat aan een grijs relais, het relais dat de startmotor inschakelt, behoorde te zitten en dat me in de schemerige avond van de dag ervoor niet was opgevallen.

Ik maakte het draadje weer vast, nam zelfverzekerd plaats achter het stuur, draaide de sleutel om en daar was dan eindelijk weer het vertrouwde geluid van de 2200 kubieke centimeters tellende verbrandingsmotor, resonerend in de roestvrijstalen uitlaat, versterkt door de akoestiek van de garage. Ik reed de auto naar buiten, stelde vast dat er inderdaad geen lek meer in het uitlaatsysteem zat en maakte een korte proefrit die naar tevredenheid verliep.

Na van de proefrit teruggekeerd te zijn en afscheid van mijn moeder genomen te hebben, reed ik rustig, en ditmaal zonder ordinair geknetter maar met een beschaafde ronk zoals dat een Engelse auto van stand betaamt, de straat uit.

Ik reed de oprit van de snelweg op, waarbij ik mijn rechtervoet nog even in bedwang moest houden omdat ik mij achter een voertuig bevond waarvan de vormgeving, of liever het gebrek daaraan, deed vermoeden dat dit vehikel vooral bestemd was voor dat deel van de automobilisten die autorijden als een noodzakelijk kwaad zien om hun droevige boodschappen van de supermarkt naar hun woning te verplaatsen en alle andere weggebruikers willen straffen voor hun heidense genoegens door altijd minstens tien kilometer per uur onder de toegestane snelheid voor hen te blijven rijden.

Echter, deze strafexpeditie miste zijn effect deze keer volledig omdat het in mijn geheel vernieuwde staat van bewustzijn, na een kleine terugval, alleen maar leidde tot een toenemende graad van verkneukeling met betrekking tot de op handen zijnde acceleratie, die deze gemotoriseerde boodschappenkar al gauw tot een onbeduidend stipje in mijn achteruitkijkspiegel zou reduceren.

In plaats van de radio met haar muzikaal dan wel verbaal behang (maar dan wel behang dat je alleen bij de Kwantum Hallen kunt vinden) aan te zetten, gaf ik mij over aan de sonore toon van de motor, die al gauw een vergelijkbaar effect op mij had als dat van het “ooohhmmm” gezang van de Tibetaanse monniken. Een enkele keer werd deze trance op aangename wijze afgewisseld met het klem rijden van Opel Gsi-tjes achter vrachtauto’s, omdat de bestuurders ervan niet verwacht hadden dat de vooral van achteren enigszins bedaagd uitziende engelsman nog zo soepel zou accelereren op het moment dat zij er rechts voorbij wilden.

“Eindhoven 73” zag ik op het ANWB bord staan. Gelukkig, ik was er nog lang niet.
Nee, de weg er naartoe was veel belangrijker dan de bestemming.



 

Teksten