Auto-matisering
Het is in mijn beleving zo rond begin jaren negentig geweest dat de perfectionering
en automatisering van automobielen negatieve bijeffecten begonnen te vertonen.
Tegenwoordig is het ten gevolge van deze steeds verdergaande pogingen het autorijden
tot een comfortabele, rustgevende ervaring te maken zelfs zover gekomen dat
autorijden eigenlijk helemaal géén ervaring meer is.
In datzelfde begin van de jaren negentig had ik de Mazda 626 van mijn broer
eens te leen voor een aantal ritten Eindhoven - Haarlem. Een fantastische auto.
Té fantastisch, want bij 100 km/h verveelde ik me helemaal dood in die
wagen, er gebeurde niets. Het ding kon wel 200 km/h en maakte bij 100 km/h minder
lawaai en bewegingen dan de rode Ford Taunus 1.6 Stationwagon, die ik toen zelf
had, in stilstand met stationair draaiende motor maakte. En aangezien het traject
Eindoven - Haarlem nogal dicht bebost is met flitspalen zat er niet veel anders
op dan mij netjes aan de maximumsnelheid te houden.
Die Taunus was natuurlijk ook weer niet bepaald het toppunt van opwinding, het
was per slot van rekening een Taunus, een auto voor weinig-opwinding-zoekende
brave huisvaders (die ik uitsluitend vanwege de grote laadruimte reed, want
alhoewel redelijk braaf was ik geen huisvader), maar je moest in elk geval iets
doen om ermee te rijden. In de eerste plaats leek 120 km/h nog een heel behoorlijke
snelheid in die auto. Bij nadering van een bocht op hogere snelheid moest je
hem van te voren even vriendelijk toespreken zodat hij zich voor kon bereiden
op het feit dat er nu toch echt van richting veranderd ging worden, waarna de
manoeuvre met enig beleid ingezet kon worden. Het was ook altijd weer een uitdaging
om de ruim duizend kilogram wegende auto, aan de zware kant voor een wagen uit
begin jaren tachtig, tijdig op snelheid te krijgen met behulp van de slechts
72 pk voortbrengende 1.6 liter motor. Vanwege de zeer soepel schakelende versnellingsbak
in die wagens lukte mij dit meestal nog redelijk en ik had er plezier in het
rode gevaarte op die manier regelmatig sneller op gang te hebben dan iemand
die naast mij voor het stoplicht stond in een voertuig dat de bestuurder ervan
toch in staat moest stellen mij met de spreekwoordelijke twee vingers in het
reukorgaan voor te blijven.
Vooral na dat begin van de jaren negentig werden er steeds meer taken van de
bestuurder geautomatiseerd. Zo kregen we onder andere Cruise Control, ABS, Traction
Control en parkeersensoren. Stuurbekrachtiging bestond al veel langer maar werd
nu pas bij steeds meer modellen standaard geleverd.
Tegen het begin van de nieuwe eeuw kwam daar de navigatiecomputer bij, een van
de meest vergaande vormen van automatisering van het autorijden tot nu toe.
Té vergaand, wat mij betreft. De laatste keer dat iemand mij bij elke
kruising vertelde waar ik heen diende te rijden was tijdens mijn rij-examen
in 1982, en sindsdien ben ik bevoegd dat zelf te beslissen. Dat wil ik graag
zo houden, ik zit niet op ene Karin te wachten om die taak weer van mij over
te nemen.
Ooit ontwierp men de bumper als bescherming voor het plaatwerk van een automobiel.
Tot in de jaren veertig was dat niet veel meer dan een metalen strip die met
behulp van bevestigingsbeugels op enige afstand van het koetswerk gemonteerd
werd zodat bij een lichte aanrijding alleen deze strip werd geraakt en niet
het kostbare plaatwerk. Later werd de bumper, vooral in de jaren vijftig van
de vorige eeuw, een sierstuk op zichzelf. Daardoor verloor de bumper eigenlijk
zijn functie want nu mocht deze zelf ook niet meer beschadigd worden. Het bleek
duur te zijn die deuken en krassen op bumpers te herstellen, dus toen dat materiaaltechnisch
mogelijk werd, in de late jaren zeventig, ging men over op plastic bumpers die
een stootje onbeschadigd konden doorstaan. Sportief matzwart was toevallig toch
in de mode, in die tijd. Maar na de jaren tachtig begon men al dat duidelijk
zichtbare plastic steeds minder te waarderen en dus werden de bumpers voortaan
gelakt, waarna ze nog kwetsbaarder waren dan de verchroomde bumpers van weleer.
Ikzelf ben eens langs zo'n bumper geschampt waarna er een minuscuul krasje op
te ontwaren was. De bestuurder van die auto leek een redelijke man en we werden
het erover eens dat dit hoogstwaarschijnlijk met een beetje polijstmiddel wel
weg te werken zou zijn. Fatsoenshalve gaf ik hem toch nog mijn naam en adres.
Op de bijrijdersstoel zat een sjagrijnig kijkende, gezette vrouw in een bontjas.
Ik verdenk haar er nog steeds van de kwade genius te zijn achter de schadeclaim
van duizend gulden die later alsnog binnenkwam, blijkbaar nodig voor het overspuiten
van de betreffende bumper (wat natuurlijk nooit gebeurd is). Urbanus zong het
al: "Madammen met een bontjas zijn gemeen".
Maar goed, om dit dilemma van functionele-maar-lelijke of mooie-maar-nutteloze
bumper nu eindelijk eens definitief op te lossen heeft men de parkeersensor
bedacht, een voorziening die een seintje geeft als men bij het parkeren het
object voor of achter de auto te dicht nadert. En weer is er een stukje spanning
van het autorijden geëlimineerd. Iedere keer als ik mijn huidige auto,
meer dan 4,5 meter lang, bijna 1300 kilogram, zonder stuurbekrachtiging en mét
uitzichtbelemmerend reservewiel op de kofferbak (het is een Rover P6) weer in
een krap gaatje weet te parkeren heb ik daar plezier van. Ik vind zo'n parkeersensor
valsspelen, dat telt niet. Bovendien maken madammen met bontjassen op die manier
nooit meer krassen op hun auto, dat is misschien nog wel het grootste bezwaar.
Rond 1925 zou men wellicht in een tijdschrift voor automobilisten hebben kunnen
lezen: "Wat een flauwiteit zeg, dien automatischen ontsteekingsvervroeging,
het is toch juist de kunst om dat op juiste wijze handmatig met een palletje
op het stuurwiel te verstellen? En zo'n dak is ook iets voor ouden van dagen.
Rijdt Tazio Nuvolari (befaamd autocoureur uit die jaren, LB) soms met een dak
op zijn Bugatti rond? En de sportieve automobilist zwengelt zijn motor aan in
plaats van een electrische startmotor te laten monteren!"
In 1890 zal er iemand gemopperd hebben over die nieuwlichterij met lawaaiierige
motoren. Het is immers toch veel mooier om te proberen een paard zover te krijgen
dat het doet wat jij wil?
En ooit, enkele duizenden jaren geleden, keek er iemand hoofdschuddend zijn
zoon na die zojuist op baldadige wijze door de nederzetting stoof op zo'n beest,
zo'n paard. Dat was in zijn jeugd heel anders geweest, toen ze nog te voet hun
vriendinnetje in het naburig dorp gingen bezoeken. Wie haalt het nu in zijn
hoofd op zo'n beest te gaan zitten? Wat is dat voor een lakse lapzwanzerij met
die jeugd van tegenwoordig?
 
Teksten